Huib Fenijn
Vrijdag 01 Februari 2008Namens directie en redactie
Tussen de namen van mensen die in de loop der tijd het gezicht van de Texelse Courant hebben bepaald, mag die van Huib Fenijn niet ontbreken. Meer dan dertig jaar lang was Fenijn een trouw medewerker die, als Huib de Rijmelaar, plaatselijke, (inter)nationale, actuele of algemene onderwerpen op de korrel nam in niet altijd even terughoudende gedichten. In zijn meest vruchtbare periodes sierde elke week wel een gedicht van zijn hand de veelgelezen kolommen van de "Tesselaar". Het lijdt geen twijfel dat zijn Rijmelarijtjes - na de familieberichten en de Texelaartjes - tot de meestgelezen rubrieken behoorde. Zeker in de jaren veertig en vijftig was een Tesselaar zonder Rijmelaar haast ondenkbaar. Menigeen zal in die dagen na vergeefs speuren de krant terzijde hebben gelegd onder de verzuchting: "Hè, Huib staat er niet in."
Huib werd op 27 december 1905 geboren in de Hekelstraat in Alkmaar. Hij maakte daar een lastige jeugd door, met een vader van socialistische en een moeder van Christelijke huize. De spanningen thuis liepen op zeker moment zelfs zo hoog op dat Huibs vader, Johan Fenijn, het huis verliet en voor lange tijd in Düsseldorf ging wonen. Desondanks had Huib een goed contact met beide ouders en het was met name zijn vader (die zelf ook een scherpe pen bezat en bekend was om zijn polemieken in de Alkmaarsche Courant) die het talent van zijn zoon stimuleerde.
In 1932 vestigde Huib zich op Texel. Hij trouwde daar met Jannie Dros - die hij in Alkmaar, waar zij op kamers woonde, had leren kennen - en kreeg een baan bij zijn schoonvader, bakker Dros in Oosterend. Huib hielp in de bakkerij en ventte brood uit over het eiland. Het moet in de eerste dagen van zijn verloving zijn geweest dat het contact met de Texelse Courant tot stand kwam. Volgens de overlevering wandelde Huib op zekere dag het redactielokaal binnen, waar hij de toenmalige redacteur - Gijs Duinker - voorstelde elke week een gedichtje voor de Tesselaar te schrijven. "Maar beste jongen," zou Duinker hebben geantwoord, "we hebben kasten vol poëzie." (Inderdaad werden in die dagen veel gedichten van - plaatselijke - poëten gepubliceerd.) Desondanks besloot Duinker de jonge dichter niet te ontmoedigen en beloofde hem "nu en dan" een gedichtje te zullen plaatsen.
Dat "nu en dan" groeide echter uit tot een omvangrijk oeuvre. Duinker had zich vergist in de ijver van de Rijmelaar: in de loop der jaren verdwenen alle andere zondagsdichters van het toneel, maar de Rijmelaar bleef. In 1935 werd ter gelegenheid van zijn 200ste gedicht een foto van Fenijn geplaatst, in 1955 werd zijn 25-jarig jubileum als medewerker van de Texelse Courant gevierd en in 1963 werd uitgebreid aandacht besteed aan zijn 1000ste (!) "Rijmelarijtje". Begonnen als los-vaste medewerker, bleef de Rijmelaar ruim dertig jaar actief en maakte na Gijs Duinker nog zes andere redacteuren mee.
Oeuvre
In de dertig jaar dat Huib zijn gedichten in de Texelse Courant geplaatst zag, behandelde hij vele tientallen onderwerpen, waarvan veel ook nu nog regelmatig ter sprake komen: de toenemende toeristische drukte, het wel en wee van de gemeenteraad, de verkeersveiligheid en (uiteraard) Teso. Maar de verzameling Rijmelarijtjes bevat ook historische zaken: de opening van de Jeugdherberg, het sluiten van de Zeevaartschool, de bouw van het nieuwe raadhuis en de KLM-dienst op Texel. Elke gelegenheid werd door Fenijn aangegrepen om over te dichten: jubilea en sterfgevallen, grote schoonmaak en uitverkoop, Sinterklaas, Kerst en Ouwe Sunderklaas. En van 1931 tot en met 1965 was daar de Rijmkroniek. Onder titels die varieerden van een simpel Rijmkroniek tot Tweeënvijftig weken op rijmerswijz' bekeken werd in de laatste krant van het jaar het voorbije jaar nogmaals op min of meer luchtige toon in dichtvorm behandeld. Dat de rijmkroniek sterk afhankelijk was van de beschikbare tijd en ruimte blijkt uit de sterk wisselende lengte, die uiteenliep van krap 500 (1947) tot ruim 3000 (1963) woorden.
Maar niet alleen de Texelse Courant maakte gebruik van Fenijns gedichten: ook de Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen en landelijke kranten als Trouw en De Telegraaf namen regelmatig gedichten van de Rijmelaar op. Ook publiceerde Huib min of meer regelmatig in een keur aan tijdschriften en verschenen bij VRIBO in Stadskanaal voordrachtsbundels van zijn hand. Daarnaast brachten bij diverse uitgeverijen jeugdboeken als "Gijs Gort van Knollendam", "De Drumband van Strodorp" en het op Texel (in Oosterend) spelende "De avonturen van Kikker". Maar ook publiceerde Fenijn in eigen beheer: in de tweede helft van de jaren dertig verscheen het maandblad "De Rijmelaar" en tevens liet hij dichtbundels als "De Heilige Vlam" het levenslicht aanschouwen. Buiten al deze publicaties was de Rijmelaar actief in het sociale verkeer: voor elk jubileum, vrijwel elke trouwerij en veel toneel- en fanfare-uitvoeringen verzorgde hij voordrachten en bovendien leverde hij Sinterklaasgedichten op bestelling. Daarnaast heeft Fenijn enkele malen voorgedragen voor de (radio)microfoon van de NCRV.
Uit deze staat van dienst moge blijken dat Fenijn bijzonder snel kon werken. Het gebeurde meer dan eens dat hij binnen tien minuten een gedicht persklaar had. Zo vernam hij tijdens een wandeling in de Dennen dat de Uiver was neergestort (21 december 1934). Ter plekke dichtte hij een vers, belde dat bij boswachter Helsloot door naar de redactie en wist zo Clinge Doorenbos van De Telegraaf te snel af te zijn. Maar ook is het eens gebeurd dat hij - door het uitvallen van een gezelschap - een hele avond moest verzorgen, terwijl hij maar voor een korte periode was gevraagd en hij tot overmaat van ramp zijn tas met gegevens en gedichten thuis had laten liggen. Het lukte, de avond was zonder meer geslaagd te noemen, en geen van de aanwezigen had ook maar iets van een hapering gemerkt. Ook het jaaroverzicht van de Texelse Courant kwam op dergelijke wijze tot stand. Toen Huib na de oorlog naar de overkant was verhuisd, werden de gegevens hem door de redacteur opgestuurd; zonder pen en papier, de vellen met gegevens op schoot, dicteerde Huib dan het soms paginagrote gedicht. Op bruiloften - waar hij als ceremoniemeester of voordrachtskunstenaar aanwezig was - bestond hij het in het voorbijgaan korte gedichtjes te fabriceren op elk van de aanwezigen, van wie hij sommigen nog nooit tevoren had ontmoet.
Kwaliteit
Deze snelheid van werken deed geen afbreuk aan de kwaliteit van Huibs gedichten. Natuurlijk is het bij een dergelijk omvangrijk oeuvre onontkoombaar nu en dan in herhalingen te vallen en ook was Huib niet wars van het gebruik van "stoplappen", maar over het algemeen ademt zijn werk een frisse oorspronkelijkheid en tussen zijn verzamelde gedichten bevinden zich ware juweeltjes van dicht- en vertelkunst. Iedere keer ontpopte Fenijn zich weer als een opmerkzaam man. Zij het een gebeurtenis in kleine kring, een bijzin in een raadsverslag of een zaak van nationaal belang, Huib wist steeds precies de vinger op de zere plek te leggen. Zo droeg hij in een jolige bui een oplossing aan voor het probleem van het beladen van de nieuwe boot van Teso (die immers een veel grotere capaciteit had dan de vorige), of beschreef hij de belevenissen van (een van zijn?) kinderen op het schoolplein, terwijl hij op een ander moment het hoofd kon breken over de toestand aan het front, of het verdriet beschreef bij het verscheiden van een goede vriend of bekende Texelaar. Maar nergens in zijn gedichten lanceerde Fenijn een persoonlijke aanval. Mocht hij dan al eens sarcastisch zijn, de Rijmelaar bleef altijd mild in zijn oordeel. Fenijn hechtte veel waarde aan het geschreven woord en wist dat een eenmaal gepubliceerde opmerking niet eenvoudig terug te nemen viel.
Hoe groot het verlangen ook was, Fenijn heeft nooit van zijn dichtkunst kunnen leven. De opbrengst van voordrachtsbundels, publicaties en zijn verschijnen als voordrachtskunstenaar of ceremoniemeester was nooit genoeg om vrouw en kinderen te onderhouden. Daarvoor miste hij ten enenmale de commerciële inslag. Eenmaal wekte het lage bedrag dat Huib voor een gelegenheidsgedicht bedong, de woede van zijn zwager Willem Boon. Deze bedong een nieuwe prijs en dwong de Rijmelaar deze te aanvaarden. Kort na zijn huwelijk vatte Fenijn het plan op als bard rond te trekken en nam daarvoor gitaarles, maar de oorlog maakte aan deze plannen een - voortijdig - einde. De enige melodie waarvan vrij zeker is dat hij door Fenijn zelf is geschreven, is die van een lofdicht op zijn woning aan de Peperstraat: "Ik ken op deez' aarde een huiseke klein / Met bloempjes ervoor en een tuintje zoo fijn". Wel werden teksten van Fenijn soms door derden van een melodie voorzien. Het bekendste voorbeeld daarvan is wel het "Texels jubellied", dat door C. van der Molen op muziek werd gezet en bewerkt voor vierstemmig koor. Fenijn bleef zijn teksten echter als liederen beschouwen; zo sprak hij dikwijls over het "spannen van zijn lier" en "bezingt" hij gebeurtenissen. Bij gelegenheid merkte hij over zijn eigen werk op: "Maar ook een leeuwerik wil zingen / Al is zij dan geen nachtegaal / Zo zing ik ook bij alle dingen / Mijn eigen lied in eigen taal" (Texel's droeve en blijde dagen, mei 1945).
Redacteur
Al met al heeft de Rijmelaar slechts tien jaar op het eiland gewoond. Na het uitbreken van de oorlog was er op Texel geen emplooi meer en vertrok het gezin Fenijn naar Alkmaar, waar Huib in dienst kwam bij de Landbouw Crisis Organisatie, een afdeling van het Ministerie van Landbouw en Veeteelt. Tijdens de hongerwinter werd de toestand in Alkmaar echter zo nijpend dat het gezin besloot naar het eiland terug te keren. Omdat Texel Sperrgebiet was, kon dit plan echter pas doorgang vinden toen (schoonvader) bakker Dros in januari 1945 overleed. Nadat het gezin - na een lange en gevaarlijke reis - het eiland bereikte, vond het onderdak in het gebouw van de RK-parochie in Oudeschild.
Tot groot verdriet van Huib overleefden de gebroeders Duinker van de Texelsche Courant de oorlog niet. Hoewel hij geen enkele journalistieke ervaring had, werd Huib gevraagd hun plaats in te nemen. Zo was hij gedurende een jaar redacteur van de krant die "nu en dan" een versje van hem op wilde nemen. Hij deed dit werk met veel plezier, maar zijn vrouw Jannie durfde niet langer op het eiland te blijven nadat zij eens per extra boot naar het ziekenhuis in Den Helder was vervoerd. Opnieuw vertrok Huib naar de overkant, waar hij ten tweede male werk vond bij het Ministerie van Landbouw en Veeteelt. Daar zou hij bij diverse diensten werkzaam zijn, om zijn carriére te beëindigen bij de dienst Grond- en Pachtzaken van de Cultuurtechnische Dienst
Al die jaren bleef Huib schrijven en publiceren. Een aantal kranten en tijdschriften rekende op een bijdrage van de Rijmelaar en hij werd nog steeds gevraagd werk te leveren voor bruiloften en jubilea. Zijn pennevruchten vonden steeds aftrek, ook toen Huib het noodgedwongen kalmer aan ging doen; met name de Texelse Courant kon hij moeilijk loslaten. Tot enkele jaren voor zijn dood leverde hij bijdragen aan deze krant. En publiceerde hij in andere bladen veel onder zijn eigen naam of onder pseudoniemen als Jabson of Kees van Zaenen, voor de Texelse Courant was het tot het einde toe Huib de Rijmelaar, een naam z¢ ingeburgerd dat hij somtijds als rijmwoord werd gebruikt. Zo werd menig jaaroverzicht afgesloten met de heilwens: "Ik wens u veel geluk en zegen / En voorspoed in het nieuwe jaar / Namens directie en redactie / En namens... Huib de Rijmelaar."
De laatste maanden van zijn leven waren zwaar voor Huib. Hij leed al geruime tijd aan staar en zijn gezichtsvermogen nam mettertijd af, tot hij uiteindelijk geheel blind werd. Op 12 december 1971 overleed hij in het Elisabeth Gasthuis in Haarlem aan de gevolgen van de ziekte van Waldenström, een vorm van leukemie. Hij werd begraven op de Noorderbegraafplaats in Haarlem.
Een (hekel)dichter die Fenijn heet, geboren werd in de Hekelstraat en overleed op Ouwe Sunderklaas, het hekelfeest bij uitstek; daar zou de Rijmelaar een treffend gedicht over hebben kunnen schrijven.
(Dit artikel verscheen eerder in de Texelse Courant)
In het Cabaret-café worden veel teksten van Huib (de Rijmelaar) Fenijn gebruikt, op muziek gezet door Pip Barnard. Deze werkt sinds enige jaren aan het verzameld werk en een biografie van Fenijn.
(nog maar) één reactie